InfoNu.nl > Nieuws uitgelicht… > Mens en samenleving > Democratiseringsbeweging vindt beperkt gehoor in Algerije

Democratiseringsbeweging vindt beperkt gehoor in Algerije

Democratiseringsbeweging vindt beperkt gehoor in Algerije De jaren negentig waren een gruwelijke episode in de geschiedenis van Algerije. Een burgeroorlog waarin zowel radicaal-islamitische strijders als regeringstroepen zich op grote schaal schuldig maakten aan geweld, kostte aan zeker honderdduizend mensen het leven. Daarna werd door de in 1999 tot president gekozen Abdelaziz Bouteflika een politiek van verzoening ingezet: in ruil voor het afzweren van geweld kregen voormalige militanten amnestie. Vanwege de relatieve rust die daardoor intrad, kon diens bewind op een zekere populariteit onder de bevolking rekenen. De onvrede nam echter toe en betrof zowel economische ongelijkheid als het gebrek aan democratie. De protesten die begin 2011 op gang kwamen, waren soms heftig en de regering deed er alles aan om met velerlei concessies rust en stabiliteit te handhaven. Een radicale omwenteling, zoals in enkele andere landen in de regio, leek uit te blijven.

Voedselprijzen verlaagd na rellen

Van 5 tot en met 8 januari 2011 vonden felle protesten plaats die gericht waren tegen de stijgende kosten van levensonderhoud. Volgens de regering was dat deels te wijten aan de oplopende voedselprijzen op de wereldmarkt, maar deels ook aan het kunstmatig opdrijven daarvan door lokale verkopers. Ze kondigde op 8 januari prijsverlagingen voor voedsel aan via vermindering van de importbelasting, hetgeen zou resulteren in een forse prijsverlaging van producten als suiker en olie voor huishoudelijk gebruik.

Het verzet tegen de prijsstijgingen begon op 5 januari in een arbeidersbuurt van de hoofdstad Algiers, maar breidde zich daarna uit over andere delen van het land. Acties werden op 6 en 7 januari gemeld vanuit noordelijke steden als Bouira, Constantine, Jijel en Setif en de dag daarna vanuit Bejaia en Tizi Ouzou in de als opstandig bekend staande regio Kabylie ten oosten van Algiers. Betogers plunderden regeringsgebouwen, bankfilialen en postkantoren, waarbij de oproerpolitie de wapenstok gebruikte en traangas inzette. Er vielen twee doden en enkele honderden gewonden.

Betogingen voor democratie

Begin 2011 namen oppositiepartijen, mensenrechtenorganisaties en vakbonden het initiatief om elke zaterdag in Algiers de straat op te gaan om tegen het bewind te protesteren. Zij kregen daarbij steun van de Partij voor de Cultuur en de Democratie (RCD), een in het parlement vertegenwoordigde, seculiere en veelal als liberaal beschouwde oppositiepartij. Aan de protesten werd ook deelgenomen door de negentigjarige advocaat Ali Yahia Abdennour, die in de jaren zestig parlementariër en minister was geweest en het erevoorzitterschap bekleedde van de Algerijnse Liga voor de Verdediging van de Mensenrechten (LADDH).

Het houden van massabetogingen was echter door de regering verboden. Telkens wanneer men zich groepeerde voor een demonstratie, werd deze onmogelijk gemaakt door het optreden van veiligheidstroepen.

De oppositiegroepen hadden zich verenigd in de Nationale Coördinatie voor Verandering en Democratie (CNCD). Een belangrijke eis was dat de al negentien jaar bestaande noodtoestand, destijds in het leven geroepen om gewapende islamisten te bestrijden, werd opgeheven. Deze werd volgens de oppositie vooral gebruikt om politieke vrijheden aan banden te leggen. Deze wens werd op 24 februari verhoord, toen de regering met onmiddellijke ingang de noodtoestand ophief. De oppositie eiste echter verdergaande democratische vrijheden en vreesde bovendien dat het bewind ook zonder de noodtoestand rechten, bijvoorbeeld om te demonstreren, zou inperken.

Abdelaziz Bouteflika / Bron: Ricardo Stuckert PR / Wikimedia CommonsAbdelaziz Bouteflika / Bron: Ricardo Stuckert PR / Wikimedia Commons

Omvangrijke stakingen

In verscheidene economische sectoren werd op 1 februari gestaakt, onder meer door zo’n negentigduizend verpleegkundigen en onderwijzers. Daarnaast gingen in Tizi Ouzou duizenden studenten en scholieren de straat op om te protesteren tegen de studievoorwaarden en tegen de als autoritair bestempelde wijze van regeren door president Bouteflika.

Eind maart legden ook medisch specialisten het werk neer om een betere betaling te eisen en te ijveren voor beëindiging van de verplichte, één tot vier jaar durende werkzaamheden in afgelegen regio’s om hun studie af te kunnen sluiten. Griffiers gingen rond dezelfde tijd eveneens in staking om loonsverhoging en betere arbeidsvoorwaarden te eisen. Ook onder delen van het ambtenarenapparaat werd gestaakt.

Opmerkelijk waren verder de protesten vanuit de veiligheidsmilities, die in de jaren negentig in het leven waren geroepen voor de strijd tegen het terrorisme en die uit ongeveer 94.000 mensen bestonden. Zij verlangden niet alleen een verhoging van loon en pensioen, maar vroegen ook om integratie in het reguliere veiligheidsapparaat en het opnieuw in dienst nemen van collega’s wier werk niet meer nodig werd geacht.

Protesten tegen woningsloop

Algerije kende vaak protesten waarin een structurele verbetering van de huisvestingssituatie werd geëist. De felheid waarmee zo’n honderd jonge mannen op 23 maart protesteerden, was echter ongekend groot. Zij gooiden met stenen en molotovcocktails om te voorkomen dat bulldozers hun meer dan dertig illegaal gebouwde woningen in Oued Koriche, een voorstad van Algiers, vernietigden. De politie zette traangas in om de menigte te verspreiden en tenminste vijf agenten raakten gewond. De huizen gingen vervolgens alsnog tegen de vlakte.

Journalistieke vrijheid

De hele waaier van verzet bracht president Bouteflika er op 15 april toe een serie beloften te doen die waren gericht op wat hij aanduidde als een ‘versterking van de vertegenwoordigende democratie’. Het meest opvallend was het voorstel voor een nieuwe mediawet. Deze zou in de plaats komen van de bestaande wetgeving die het mogelijk maakte journalisten te veroordelen tot gevangenisstraffen van twee tot twaalf maanden en hoge boetes. Met name het op schrift bekritiseren van de president zelf had nogal eens tot dergelijke straffen geleid.

Op 13 september maakte Bouteflika zijn voorstellen bekend om de mediavrijheid te vergroten. Journalisten zouden niet meer wegens smaad gevangen worden gezet. Het toezicht op de pers werd uit handen genomen van het ministerie van Justitie en overgedragen aan een commissie waar ook journalisten deel van uit zouden maken. Verder werden private radio- en televisiestations toegestaan, naar het voorbeeld van de al bestaande geschreven media die niet onder staatscontrole stonden.

Vanuit journalistieke kringen en burgerrechtenorganisaties werd desondanks negatief gereageerd. Kranten konden namelijk nog steeds verboden worden en de criteria daarvoor – zoals de staatsveiligheid, de nationale economische belangen of de nationale identiteit – waren nog ruimer geformuleerd dan voorheen. De tegenstanders meenden dan ook dat de vrijheid van meningsuiting in feite verder werd ingeperkt.

De twee Kamers van het Algerijnse parlement stemden op respectievelijk 14 en 22 december in met de voorgestelde hervormingen, waaronder ook de nieuwe mediaregels.

Een ‘geleide Lente’

Notre printemps, c’est l’Algérie / Bron: Reda Kerbush / Wikimedia CommonsNotre printemps, c’est l’Algérie / Bron: Reda Kerbush / Wikimedia Commons
De vrees onder de autoriteiten dat de Arabische Lente ook in Algerije oncontroleerbare proporties zou aannemen, bleef in 2012 bestaan. Dat bleek nog eens aan de vooravond van de parlementsverkiezingen van 10 mei, waarvoor op 15 april de campagne werd gelanceerd. Het motto, herhaaldelijk naar voren gebracht op de staatstelevisie, was dat de verkiezingen zelf een proces van geleidelijke verandering symboliseerden: ‘Algerije is onze lente’.

De campagne werd onder meer geconcretiseerd in de toestemming voor zo’n twintig nieuwe partijen zich te laten registreren, waarmee het aantal kandidaten waaruit kon worden gekozen in vergelijking met de vorige verkiezingen van 2007 ongeveer verdubbelde.

De geste leidde er in elk geval toe dat een van de grootste oppositiepartijen, het Front voor Socialistische Krachten (FFS), besloot tot deelname aan de verkiezingen. Deze partij had de laatste vijftien jaar alle parlementsverkiezingen geboycot. De RCD deed echter niet mee.

Tenslotte mochten tijdens de verkiezingen ook internationale waarnemers, onder meer van de Europese Unie, toezicht houden op een eerlijk stembusverloop.

Lees verder

© 2012 - 2017 Vitas, het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van de infoteur is vermenigvuldiging verboden.
Gerelateerde artikelen
Praktische informatie over AlgerijeAlgerije ligt in Noord-Afrika en lijkt de laatste jaren steeds geliefder te worden als vakantiebestemming. Je hebt er vo…
Speelschema en Uitslagen Algerije - WK Voetbal 2014Algerije heeft zich via de kwalificaties van de CAF weten te plaatsen voor het WK voetbal in Brazilië. Dit ging met de n…
Kolonisatie van AlgerijeAlgerije is een voormalige kolonie van Frankrijk. De kolonisatie van Algerije vond plaats rond 1830 en duurde 17 jaar. H…
Afrika Cup 2010 in Angola; Egypte winnaar, Ghana tweedeAfrika Cup 2010 in Angola; Egypte winnaar, Ghana tweedeDe Orange Afrika Cup 2010, officieel de Coupe d'Afrique des Nations (CAN), wordt in Angola gehouden. Het is de 27e keer…
Landen van de wereld: AlgerijeAlgerije is een land in Noord-Afrika dat tussen Marokko en Tunesië ligt. Deze drie landen samen vormen de zogenaamde Mag…
Bronnen en referenties

Reageer op het artikel "Democratiseringsbeweging vindt beperkt gehoor in Algerije"

Plaats als eerste een reactie, vraag of opmerking bij dit artikel. Reacties moeten voldoen aan de huisregels van InfoNu.
Meld mij aan voor de tweewekelijkse InfoNu nieuwsbrief
Infoteur: Vitas
Gepubliceerd: 25-06-2012
Rubriek: Nieuws uitgelicht…
Subrubriek: Mens en samenleving
Special: Arabische Lente
Bronnen en referenties: 6
Nieuws uitgelicht…
Deze rubriek bevat artikelen welke zijn geschreven naar aanleiding van een nieuwsfeit en kunnen daarom mogelijk gedateerde informatie bevatten.
Schrijf mee!