Pensioenfondsen in de problemen
Dit keer begon het met de mededeling van Minister Donner: Pensioenfondsen met een te lage dekkingsgraad moeten op het matje komen bij De Nederlandse Bank. De kans is groot dat zij de pensioenaanspraken moeten ‘afstempelen’. Waar hebben we het eigenlijk over, wanneer we het over pensioenen hebben en moeten we ons nu druk gaan maken?Het Pensioenbegrip
Om een juist beeld te krijgen over pensioenen, is het goed om eerst is duidelijk te krijgen waarover het we dan hebben. Volgens de pensioendefinitie is pensioen het inkomen dat mensen hebben of zullen krijgen vanaf het moment dat zij stoppen met werken. Voor de gedachtevorming wordt het stoppen met werken gesteld op 65-jarige leeftijd. Veel sociale wetgeving is daar ook op gebaseerd. Denk aan de AOW, maar ook wetten als de Werkeloosheidswet en de Arbeidsongeschiktheidswetgeving gaan van deze leeftijdsgrens uit. Op 65-jarige leeftijd wordt men (nog wel) verondersteld te stoppen met werken en een inkomen te halen uit zogenaamd passief inkomen. Daartoe worden de volgende 4 pijlers gerekend:- AOW;
- Pensioen uit vroegere dienstbetrekkingen;
- Pensioen uit zelfstandige regelingen, meestal lijfrenteverzekeringen;
- Inkomen uit vermogen (spaarrekening, beleggingen, eigen huis).
De laatste tijd staat deze leeftijdsgrens van 65 jaar onder druk. Met name de leeftijd, waarop het recht op AOW in gaat dreigt te verschuiven naar 67. Als reden wordt de ‘vergrijzing’ opgegeven. Als extra motiverende reden wordt de langere levensverwachting genoemd: mensen leven langer, dus is het terecht dat zij later inactief worden.
De AOW als basisvoorziening
Hoe het begonIn de jaren na de oorlog waren zij, die niet meer konden werken, aangewezen op hun spaargeld om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien. Maar er waren niet zoveel mensen met voldoende spaargeld om tot hun dood van te kunnen leven. Zij waren aangewezen op familie, armenzorg en liefdadigheid. In 1956, onder leiding van de socialistische premier Willem Drees werd er een staatspensioen ingevoerd. Men ging “van Drees trekken”. De invoering van de Algemene Ouderdoms Wet was een feit. Er werd een consensus gevonden over de hoogte van dit pensioen, waarbij gekeken werd naar het aantal mensen dat hier recht op had en de kosten om het geld te innen bij de werkenden en uit te betalen aan de gepensioneerden: het zogenaamde omslagstelsel. Ook op dit moment wordt dit stelsel nog toegepast.
Inflatie; welvaartsvast versus waardevast
Een aantal jaren ontstond discussie over de hoogte van het bedrag. Er was weliswaar een hoogte vastgesteld, maar inmiddels had het fenomeen ‘inflatie’ haar intrede gedaan. En daardoor kon iemand met een AOW-uitkering steeds minder kopen voor de uitkering. Er ontstonden jaarlijkse discussies over het percentage, waarmee de uitkering omhoog zou moeten gaan. Werd de uitkering niet verhoogd, met het percentage van de inflatie verhoogd, of diende de uitkering mee te groeien met de groei van de welvaart in Nederland? In feite is deze discussie nooit afgerond. Achtereenvolgende kabinetten kozen voor A, B of C.
Verhoging van de AOW-leeftijd
Reeds in 1995 zag men aankomen dat de huidige financieringsvorm van de AOW op termijn onder druk zou komen te staan. De demografische ontwikkeling van de Nederlandse bevolking gaf aan dat er vanaf 2015 steeds meer gepensioneerden zouden komen en – verhoudingsgewijs – steeds minder werkenden om jaarlijks het AOW-bedrag op te brengen. In die periode – na een hele korte periode van een begrotingsoverschot – is er zelfs geprobeerd een fonds te vormen, waarin jaarlijks een deel van het begrotingsoverschot zou worden gestort om de AOW betaalbaar te houden. Maar toen de begrotingsoverschotten omsloegen in begrotingstekorten, was dit AOW-fonds slechts een kort leven beschoren. Vanaf toen is de discussie op gang gekomen om de ingangsdatum van de AOW te verlengen met als voorlopig hoogtepunt de afspraak tussen de sociale partners (werkgevers/werknemers) om de AOW-leeftijd geleidelijk te verhogen naar 67 jaar. Dit heeft als voordeel dat mensen korter uit de AOW-pot kunnen trekken en langer premie blijven betalen. En dat eerste punt wordt gerechtvaardigd met de verwijzing naar de langere levensverwachting.
Eerder genomen maatregelen
Om de betaalbaarheid van de AOW toch al enigszins onder controle te krijgen, zijn in het laatste deel van de jaren negentig van de vorige eeuw al wat maatregelen genomen.
- Vroeger kreeg men bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd AOW. Gezins-AOW als men getrouwd was of samen woonde; alleenstaande AOW als men dat niet was. Nu is het zo dat alleen degene die 65 is AOW krijgt. Heeft is/zij een partner jonger dan 65, dan kan hij/zij een toeslag krijgen voor de jongere partner, waarbij het inkomen van de jongere partner op de toeslag wordt gekort.
- Vanaf 2015 geldt dat iemand AOW krijgt bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd. De toeslag komt te vervallen. (Niet voor al lopende uitkeringen).
Pensioen uit vroegere dienstbetrekking
Dit is het onderdeel uit het pensioenhuis, waarover de afgelopen weken zo veel commotie is ontstaan. Nagenoeg iedere werknemer krijgt via zijn werkgever de mogelijkheid deel te nemen aan een pensioenregeling. Sommige bedrijven hebben een eigen pensioenfonds daarvoor opgericht, maar de meest bedrijven hebben daarvoor een pensioenuitvoerder in de arm genomen. Zo zijn er per branche verschillende pensioenfondsen ontstaan. Deelname aan dit fonds is een verplichting.Verschillende systemen
Nederland kent verschillende pensioensystemen. Ruwweg valt dit in te delen in 3 hoofdregelingen:
- eindloonregeling
- middelloonregeling
- beschikbare premieregeling
Zonder op dit moment in te gaan op de kenmerken en de verschillen van deze regelingen, hebben zij alle drie gemeen dat zij streven naar een inkomen op de ingangsdatum van het pensioen (meestel 65 jaar) van 70% van het laats verdiende salaris (eindloonregeling) of 70% van het gemiddeld over de jaren verdiende salaris (middelloonregeling en beschikbare premieregeling). Daarbij wordt in alle gevallen rekening gehouden met de te verwachte AOW-uitkering. Misschien dat onderstaand voorbeeld dit duidelijker maakt.
Voorbeeld
Jan verdient per jaar € 36.000,- in loondienst en is aangesloten bij het pensioenfonds. Hij kon toetreden op het moment dat hij 25 jaar werd en gaat met zijn 65ste met pensioen. In totaal dus 40 deelnemingsjaren. Per jaar bouwt hij 1,75% pensioenrecht op (40*1,75=70%). Omdat er rekening wordt gehouden met zijn toekomstige AOW uitkering wordt dit bedrag van zijn jaarloon afgetrokken (thans circa € 9.600,-). Hij bouwt dus ieder jaar 36000-13.715*1,75%= € 390,- pensioen op. Na 40 deelnemingsjaren ontvangt hij dus 40*390+9600=€ 25.200,- . Dit is keurig 70% van zijn salaris.
Jan verdient per jaar € 36.000,- in loondienst en is aangesloten bij het pensioenfonds. Hij kon toetreden op het moment dat hij 25 jaar werd en gaat met zijn 65ste met pensioen. In totaal dus 40 deelnemingsjaren. Per jaar bouwt hij 1,75% pensioenrecht op (40*1,75=70%). Omdat er rekening wordt gehouden met zijn toekomstige AOW uitkering wordt dit bedrag van zijn jaarloon afgetrokken (thans circa € 9.600,-). Hij bouwt dus ieder jaar 36000-13.715*1,75%= € 390,- pensioen op. Na 40 deelnemingsjaren ontvangt hij dus 40*390+9600=€ 25.200,- . Dit is keurig 70% van zijn salaris.
Noot
De AOW is onderdeel van de pensioengedachte van 70% van het salaris. Het huidige inkomen is 100%. Daarom wordt de AOW voor 10/7 deel in de berekening meegenomen. Vandaar het genoemde bedrag van € 13.715,-.
Problemen bij Pensioenfondsen
De inkomsten van pensioenfondsen worden gevormd door de te betalen premies en de opbrengsten van hun vermogen. We kunnen er heel kort over zijn: pensioenfondsen zijn schatrijk. Hoe kan het dan dat zij toch in de problemen gekomen zijn? Dat heeft alles te maken met de waardering van de toekomstige verplichting. Pensioenfondsen worden verondersteld evenveel geld in kas te hebben als zij aan toekomstige verplichting aan pensioengerechtigden hebben. Moet je dus jaarlijks aan Jan (hiervoor genoemd) € 15.600,- pensioen betalen en wordt hij volgens verwachting 75 jaar oud, dan moet je dit bedrag 9 jaar betalen. De verplichting is dus 9*15.600,- = € 140.400,-. Je kunt volstaan met een wat lager bedrag, als je rekening houdt met jaarlijks rente-inkomsten, zeg 3%. Heeft het fonds op dit moment € 121.400,- in kas, dan kunnen zij Jan jaarlijks het verschuldigde pensioenbedrag betalen. Het pensioenfonds heeft nu een dekkingsgraad van 100%. Maar niemand weet hoe oud Jan precies wordt. Leeft hij langer, dan moet er mee worden betaald; leeft hij korter, dan heeft het pensioenfonds een voordeel. Juist om dit soort ongewisse omstandigheden op te vangen, heeft de wetgever bepaald dat een pensioenfonds een dekkingsgraad moet hebben van 105. Dus geen € 121.400- maar € 127.400,-.Veel pensioenfondsen voldoen niet meer aan de dekkingsvereiste van 105. Zij zitten lager, sommige zelfs onder 95. En op dat moment grijpt De Nederlandse Bank in met draconische maatregelen. De lagere dekkingsgraad heeft dus met twee elementen te maken:
- de levensverwachting
- de rentevoet
De rentevoet
Om met de rentevoet te beginnen: tot voor 2000 rekenden de pensioenfondsen met een vaste rentevoet van 4% per jaar. Ongeacht de werkelijke hoogte werd dit percentage in de berekeningen opgenomen. Later werd dit percentage verlaagd naar 3%, omdat al gebleken was dat een gemiddeld percentage van 4% in de praktijk niet werd gehaald. Sinds een aantal jaren zijn pensioenfondsen verplicht het werkelijk op het toetsmoment geldende rentepercentage te hanteren. En helaas, op dit moment ligt dit percentage lager dan 3%.
De Levensverwachting
Iemand die in 1970 toetrad tot het pensioenfonds had toen een levensverwachting van gemiddeld 73,2. De toenmalige premies waren daar ook op gebaseerd. Sinds een jaar of 10 is gebleken dat mensen langer leven dan eerst werd verondersteld. En die langere levensverwachting vertaalt zich voor pensioenfondsen in een langere uitkeringsperiode.
Zie hier de problemen in een notendop.
En wat nu
Zoals al eerder opgemerkt in dit artikel hebben pensioenfondsen twee bronnen van inkomsten: de premies en het rendement op vermogen. Aan de premiekant zit niet zoveel ruimte meer. Je dient je als bestuur van een pensioenfonds af te vragen welk deel van het inkomen mensen nog bereid zijn opzij te zetten voor uitgesteld inkomen op de pensioendatum. Het deel dat werkgevers bijdragen in de pensioenregeling (over het algemeen circa 60%) kan ook niet herhaaldelijk worden verhoogd. Dat gaat tenslotte ten laste van de winstgevendheid van bedrijven en instellingen. Maar ook de rendementen laten ons op dit moment in de steek. De beurskoersen staan al ruim 2 jaar onder druk en de rente is laag en zal voorlopig nog wel laag blijven. Dan blijft er niets anders over dan de hoogte van de (toekomstige) pensioen te verlagen: het zogenaamde afstempelen. Maar daar kleven ook de nodige bezwaren aan. Een lagere pensioenuitkering heeft directe gevolgen voor gepensioneerden. Hun besteedbaar inkomen wordt lager en dat heeft weer invloed op de economische ontwikkelingen. En wat nu als de beurskoersen stijgen en de rente stijgt? Worden dan alle achterstanden weer ingelopen? Of roomt de overheid dan het overtollige vet van de pensioenfondsen af om het eigen financieringstekort te verlagen, zoals enige jaren terug gedaan is bij het ABP? De suggestie om weer terug te keren naar het hanteren van een vaste rekenrente is daarom nog zo gek nog niet. De geeft de fondsen die nu in de problemen zitten weer wat armslag. Bovendien kan dan in alle rust gekeken worden naar de wat kleinere fondsen en deze eventueel onder brengen in grotere verbanden. Dat verlaagt in ieder geval de bestuurs- en beheerskosten. Bovendien zal ook dit deel van het pensioenhuis er niet aan kunnen ontkomen om ook betrokken te worden in de discussie rond de verhoging van de pensioenleeftijd. Als de AOW naar 67 verhoogd wordt, dan is het logisch om ook de ingangsdatum van de bedrijfspensioen op dat niveau te brengen. Vreemd genoeg wordt deze discussie nergens openlijk gevoerd. Het zou mij niet verbazen dat dan de discussie over de dekkingsgraad een non-discussie blijkt te zijn. En – als laatste optie - er van uitgaande dat er geen fondsen zijn die extreem slecht worden beheerd, is een eventuele solidariteitsheffing van bijvoorbeeld 0,25% over alle fondsen mogelijk de oplossing om weer een goed startpunt te creëren voor alle fondsen en niet de 14 fondsen die nu genoemd zijn het alleen uit te laten zoeken.© 2010 - 2012 Hypotheekinfo, gepubliceerd in Financieel (Nieuws uitgelicht…) op .
Het auteursrecht van dit artikel ligt bij de infoteur. Zonder toestemming van Hypotheekinfo is vermenigvuldiging van dit artikel verboden. Meer informatie…
Pensioenfondsen en beleggingen Door de kredietcrisis zijn veel pensioenfondsen in slecht weer terecht gekomen. Met name d…
Waardeoverdracht pensioen in de knel Als je van baan wisselt kun je het via de vorige werkgever opgebouwde pensioen in pr…
Pensioengeld en de crisis Het gaat niet goed met ons pensioen bij de pensioenfondsen. Ook pensioengeld wordt risicovol be…
Onzeker over uw pensioen? In de jaren vanaf 2008 tot en met 2010, is gebleken dat onze pensioenen niet zo zeker zijn. Pen…
Gerelateerde artikelen
Dekkingsgraad tekort pensioenfondsen Pensioenen zijn een hot item, verschillende pensioenfondsen hebben een te lage dekki…Pensioenfondsen en beleggingen Door de kredietcrisis zijn veel pensioenfondsen in slecht weer terecht gekomen. Met name d…
Waardeoverdracht pensioen in de knel Als je van baan wisselt kun je het via de vorige werkgever opgebouwde pensioen in pr…
Pensioengeld en de crisis Het gaat niet goed met ons pensioen bij de pensioenfondsen. Ook pensioengeld wordt risicovol be…
Onzeker over uw pensioen? In de jaren vanaf 2008 tot en met 2010, is gebleken dat onze pensioenen niet zo zeker zijn. Pen…
Reageer op het artikel "Pensioenfondsen in de problemen"
Er zijn nog geen reacties geplaatst op dit artikel.